Frederik Jan van den Berg is geboren in 1973 te Gouda, Nederland.  Toen hij 12 jaar oud was verhuisde hij met zijn familie naar Jakarta in Indonesië waar hij 4 jaar doorbracht op de Jakarta International School.  De 2 daaropvolgende jaren vond zijn scholing plaats op het United World College of South East Asia te Singapore.  Na het behalen van zijn International Baccalaureate diploma aldaar in 1991 ging hij terug naar Nederland om kunst te studeren aan de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving te ‘s-Hertogenbosch.  Na zijn afstuderen verbleef hij afwisselend in Nederland en Buenos Aires, alwaar hij zijn toekomstig partner, de Argentijnse fotografe Bea Fresno ontmoette.  Samen hebben zij in 2007 vaste grond onder de voeten gevonden in Rotterdam, alwaar Frederik Jan van den Berg methodisch is blijven werken aan de ontwikkeling van zijn themas en idn.


Van den Berg “Inner Architecture”

Het werk van Frederik Jan is evenzeer samenhangend als raadselachtig, evenzeer doelbewust als de uitkomst van toeval en experiment. De werken kunnen ondergebracht worden in een aantal formele categorieën, maar het geeft veel meer voldoening al zijn werken samen op te vatten als een geheel van te onderscheiden, gevarieerde uitingen van een kunstenaar in de verschillende fases van zijn leven en werk en waarbij  meerder media door hem worden ingezet.

Hoewel het werk onmiskenbaar iedere architectonische ruimte complementeert is de verwijzing naar de architectuur eerder een afgeleide dan een expliciete. Het werk is meer een representatie van een innerlijke architectuur, een persoonlijk ordeningsprincipe, waarin veelvuldige herhaling en ritmiek een rol spelen maar ook momenten van opzettelijke doorbreking wanneer het dan gebruikte systeem radicaal wordt herzien op zoek naar een nieuwe orde.

De werken lijken niet alleen te gaan over de  betrouwbaarheid van geometrische principes, maar  ook over het verlangen deze overboord te gooien en de impulsieve hand van de kunstenaar toe te laten in de rationele,  ons zo vertrouwde, bijna ‘huiselijke’ geometrie: die van de voornamelijk rechtlijnige, architectonische vorm of ruimte, het volume of de leegte, de buiten- en binnenkant van een constructie.

De werken zijn niet direct afgeleid van  bestaande of mogelijke gebouwen of ruimtes; van veel van de werken zou beweerd kunnen worden dat ze verwijzen naar de meest eenvoudige, meest basale vorm en ruimte: de kubus/de kamer. Ze getuigen, in materiële zin,  van een doelbewuste focus die nodig is om deze ruimtes te creëren. Kijken we uitsluitend naar de toewijding waarmee de werken zijn gemaakt, dan lijken ze eerder op  geschilderde, religieuze iconen dan op afbeeldingen van hedendaagse architectuur. En hoewel Van den Berg zich niet hoeft te houden aan de ‘heilige’ geometrie van de icoonschilder, is zijn werk de uitdrukking van een persoonlijk geloven, dat in alle opzichten devoot en ernstig is.

Het gebruik van kleur heeft zich gestaag ontwikkeld. In veel vroegere werken werd deze voornamelijk bepaald door het eigen gamma van het gebruikte basismateriaal: siliconenrubber. Het gebruik van dit vulmateriaal was  een artistieke, conceptuele keuze om de materiële samenhang tussen het kunstwerk en de (industriële) ruimte waarvoor deze bedoeld was te versterken. In die periode was een leitmotief een dialoog te zoeken tussen  het werk en de architectonische omgeving - om zo de bewustwording van de ruimte bij de kijker te verhogen. Veel van de grote werken waren in feite puur materiaal, die eerder moesten aansluiten bij de onvermijdelijke, soms ongerijmde, instant-kleuren van badkamer- en keukentinten,  dan dat zij op zichzelf stonden

Maar geleidelijk aan ‘brak’ de materie meer open, kwamen andere kleuren vanonder ruimtes te voorschijn, levendige kleuren, sterk contrasterend met het grijs, het bruin, het bleekgroen, het kilblauw en het beige van de siliconenrubber. De intensiteit van deze aangebrachte kleuren, deze zuivere tinten, introduceerde de immaterialiteit in zijn werk, waardoor het logge materiaal zich visueel meer de ruimte in kon begeven, waardoor er een veel grotere nadruk kwam te liggen op het ruimtelijke en op een breed spectrum van kleuren.

Als de taal die nodig is om de constellatie van zijn werk te beschrijven geworteld is in formele geometrie, dan zou de inhoud van dat werk het beste geformuleerd kunnen worden als ‘persoonlijke geometrie’ - de zelfontwikkelde, zelfopgelegde wetten die hem bepalen en die de kunstenaar die hij is leiden en vormen.

Natuurlijk nodigt het werk uit vergeleken te worden met dat van andere kunstenaars uit de lange geometrisch-abstracte traditie, van Malevich tot Mondriaan, van Ad Reinhardt tot Bridget Riley. Maar Van den Bergs werk verwijst niet direct naar zijn voorgangers uit dit specifieke kunstdomein. Het was nooit zijn bedoeling om simpelweg voor te bouwen op een reeds gevestigde traditie. In zijn beeldende ontwikkeling kan zijn geometrisch-abstracte  werk opgevat worden als het genre en het moment waarin hij zijn artistieke principes definieerde en zijn persoonlijke methodiek scherpte. De geometrie bood hiervoor een perfect raamwerk en maakte het hem mogelijk herkenbare vormen af te beelden en te bewerken, zonder de last van cultureel bepaalde betekenissen die onvermijdelijk verbonden zijn aan objecten uit de fysieke wereld.

Zo maakte de relatieve puurheid van de afbeelding het voor Van den Berg mogelijk zijn eigen werk in zeer basale begrippen inhoudelijk te bepalen en conclusies te trekken die hem uiteindelijk de artistieke grond boden waarop al zijn werk is gebaseerd.

Juist omdat zijn kunstenaarschap zulke onwrikbare principes kent, kan zijn werk zich tegelijkertijd ontwikkelen in meerdere richtingen. In een recente serie past hij zijn persoonlijke methodiek toe op de afbeelding van 20e-eeuwse iconische wagens om zo het abstracte en het figuratieve bijeen te brengen. Deze voertuigen ondergaan dezelfde subtiele vervormingen en afwijkingen als in de puur geometrische werken, maar hun herkenbaarheid en culturele betekenis brengen een nieuwe betekenislaag aan, die  ondanks hun pop art verschijning een zekere kritiek oproepen.

Zoals eerder genoemd geeft het meer voldoening al zijn werken samen als een geheel op te vatten en zo te kunnen beweren dat Van den Berg onmiskenbaar een fascinatie heeft om ruimtes en volumes te verbeelden met elementaire middelen en veel werk treffend en illusoir is, maar dat het geschilderde oppervlak nooit deel van die illusie wordt. Nooit wordt het een onzichtbare drager van een optisch effect noch wordt ernaar gestreefd het eigen handschrift te verdoezelen, alsof het werk op mechanische wijze is vervaardigd. Het werk herinnert ons er voortdurend aan dat we zien in feite nooit een beschrijving van een ruimte is, of een afbeelding van iets anders. Wat we zien is een autonoom schilderij, ongeacht zijn materiële samenstelling, een schilderij met een uniek, menselijk verhaal, dat zichtbaar wordt in iedere kwaststreek of richel in het siliconenrubber en waarin het artistiek gebaar, met het voorkomen van een geometrische studie of een abstracte representatie, vlees wordt. Op die manier beschouwd wordt de afbeelding zelf irrelevant, ondergeschikt aan wat erkend moet worden: de fysieke handeling van het schilderen.

 

Originele text: Mike Ritchie

Vertaling uit het Engels: Margriet Kemper